Het is een warme zaterdagmiddag in Rivne, Oekraïne. Ik zit in een Volkswagenbus, op weg naar een huis waar mensen wonen die niet voor zichzelf kunnen zorgen, vooral omdat ze een drankprobleem hebben. Mijn 'gids' is pastor Victor, een aardige, gedreven man met een passie voor hen die Christus niet kennen. Hij heeft eerder op de dag verteld dat hij drie jaar lang bezig is geweest om een relatie op te bouwen met deze mensen, door steeds langs te komen en met ze praten. Soms nam hij presentjes voor ze mee. Dat helpt namelijk om binnen te komen.
Op de weg naar het huis toe vertelt hij er al iets over. 'Die cadeautjes zijn wel belangrijk voor de mensen. Het geeft een bepaalde mate van vertrouwen. Maar mij gaat het niet om de cadeautjes. De mensen moeten me ook binnen laten om het praten, omdat ik een relatie met ze heb. Dat vind ik belangrijk.'
Zijn visie is ook duidelijk. Hoewel hij veel praktische hulp biedt voor de mensen, heeft hij uiteindelijk maar één doel met zijn werk: mensen vertellen van de hoop. 'Weet je, je kunt mensen wel 10, 15 jaar helpen met allerlei dingen, maar als ze dan dood gaan, wat hebben ze dan? Daarom vind ik het belangrijk dat ik ze meer geef dan dat.' Evangelisatie dus, door de straat op te gaan, bij mensen langs te gaan. En daar ook voor uitkomen. Het is bekend bij de mensen dat hij van de kerk is, en ze ook daarom bezoekt. Dat mogen ze weten. Het is immers ook de kerk die voor hun van belang kan zijn. In de kerk vinden ze én mensen die naar hen omzien, én hoop, uitzicht op een eeuwig en goed leven.
Hier hebben ze niets te verliezen, want ze hebben zo weinig. Een behoorlijk contrast met gemiddeld Nederland. Wij hebben al snel iets van: 'wat moet je van me?' En het hebben over de kerk is ook taboe. Daar mag je andere mensen niet mee lastig vallen. Ook niet als je daadwerkelijk verschil kunt maken, want dat moeten we lekker zelf weten. Niet dan?