“Kun je me horen?” In de trein van Utrecht naar Arnhem stoot de vrouw naast me mij aan. Ik doe mijn oordoppen uit. “Ja, dat lukt me wel,” antwoord ik. “Oh mooi. Is dit de trein naar Amersfoort?” Ik denk twee tellen na over de vraag. Hoezo Amersfoort? “Nee, deze trein gaat naar Arnhem en stopt alleen nog in Ede-Wageningen.” De vrouw zucht eens diep. “Ik moet naar Amersfoort. Ik zit al in deze trein vanaf Rotterdam. En ik dacht: Rotterdam, Gouda, Utrecht, Amersfoort.” Ik moet ongewild lachen, want die treinen rijden er inderdaad wel. Ik kijk vluchtig uit het raam en zie station Maarn voorbij razen. “In Ede rijdt er een rechtstreekse trein naar Amersfoort, maar de aansluiting op deze trein is heel erg krap,” zeg ik. Ze lijkt opgelucht. Ze pakt haar spullen en staat op. Ik laat haar passeren.
‘Ze moest eens weten’, denk ik bij mezelf. Die trein gaat ze nooit halen. En inderdaad, zodra we station Ede binnenrijden, rijdt de trein naar Amersfoort weg. Misschien heeft ze de trein niet zien vertrekken, want als ik uit de trein stap, loopt ze snel voor me uit. Op weg naar spoor 1, waar die trein vertrekt. Ik overweeg nog even om haar achterna te lopen. Teruggaan naar Utrecht zou beter zijn voor haar. Dan is ze eerder in Amersfoort. Ik besluit het niet te doen, want een blik op mijn horloge vertelt me dat ik haast moet maken. Mijn bus gaat namelijk over twee minuten. Ik zet het op een rennen. Gelukkig haal ik nog net de aansluiting. Ik wel.
In de bus is het rustig. Op wat studenten na zit er niemand. Na een paar loze haltes stopt hij bij het centrum. Een vrouw van middelbare leeftijd en een jonge vrouw stappen in. “Tweemaal naar Veldhuizen, alstublieft.” De buschauffeur kijkt naar de strippenkaart. “Dat gaat niet, mevrouw. Maar u kunt wel een euro-kaartje kopen.” De vrouw kijkt om en lijkt te overleggen. “Ja, doe dat maar” hoor ik de jonge vrouw zeggen. De oude vrouw duikt haar tas in, op zoek naar haar portemonnee. Die vindt ze gelukkig vrij snel. Geen muntjes.
‘Dat heb ik weer’, denk ik bij mezelf. Geen wonder dat die bussen altijd vertraging hebben. Na wat gerommel pakt ze een briefje van twintig euro. ‘Het moet niet gekker worden, zeg.’ Ook de buschauffeur lijkt even verrast. Nu moet hij op zijn beurt op zoek in zijn tas. Drie briefjes van vijf, en twee minuten later rijden we weer. Nog drie haltes, en dan moet ik eruit. Ik kijk vast of ik nog alles bij me heb. Weekendtas, rugtas, OV-jaarkaart. Als we bushalte Klaphekweg voorbijrijden wil ik op het stopknopje drukken, maar iemand is me voor. Alsof die persoon bang is dat de buschauffeur niet op tijd zal stoppen. Bij het uitstappen sla ik bijna iemand om de oren met mijn tas, zoals gebruikelijk, maar daar geef ik niet zoveel om. Ik sta buiten en loop snel naar huis. Ik wel.
Al die andere mensen in de bus, waar gaan zij heen? Ik weet het niet. En om eerlijk te zijn, ik hoef het ook helemaal niet te weten. Ik heb wel genoeg aan mezelf.
maandag 4 februari 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten