dinsdag 12 februari 2008

Jezus’ antwoorden op vragen, deel I: Lekker puh!

Een korte serie van blogs over antwoorden die Jezus geeft op vragen van farizeeërs, saduceeërs en schriftgeleerden. De manier waarop Jezus antwoord geeft intrigeert me vaak mateloos. Dat wil ik graag met jullie delen.

Lekker puh!
Dat is de eerste gedachte die bij me opkomt als Jezus spreekt tegen de oudsten van het volk in Mattheus 21 (vers 23-27). Lekker puh! Bekijk het maar. De oudsten en hogepriesters komen naar hem toe. In de tempel, een plaats waar over het algemeen veel mensen waren. Ze stellen hem daar een vraag, zoals ze wel vaker een vraag stelden. “Jezus, vertel ons eens, op grond van welke bevoegdheid doet u die dingen? En wie heeft u die bevoegdheid gegeven?” Ze doelen op de vele wonderen en tekenen die Jezus gedaan heeft in het land. Ik kan me goed voorstellen dat het in die tijd gebruikelijk was om een wonder of een teken te doen in naam van iemand. In de naam van God, bijvoorbeeld. Zo spraken de profeten ook. Door in naam van iemand te spreken krijgt je teken betekenis.

Jezus gebruikt blijkbaar geen naam. In de hoofdstukken voor dit gedeelte vertelt Mattheus over genezingen, maar er staat niet namens wie Jezus dat doet. In het gedeelte direct voor deze confrontatie verhaalt Mattheus over een vijgenboom die Jezus laat verdorren. Ook in eerdere gebeurtenissen, zoals de storm op het meer, noemt Jezus geen naam namens wie hij spreekt. Het ligt voor de hand om te zeggen: Ja, Jezus spreekt namens zichzelf! Het is heel logisch om dat te zeggen, want het is waar. Jezus doet dat ook, want hij heeft daar zelf de macht voor. Maar als hij dat zou vertellen dan wordt hij direct opgepakt. Door zijn eerdere daden kan hij dat simpelweg niet maken. Hij vergaf zonden en liet mensen opstaan uit de dood. Dat zijn dingen die alleen God kan. Geen probleem toch? Want Jezus is ook God!

Daar dachten de Joden anders over. Het is godslastering om zulke dingen te zeggen en te doen. Om zo direct te genezen en zeggen dat je God zelf bent, die is gek. In andere gedeelten van het evangelie zie je ook dat de farizeeërs hem daarop proberen te pakken. Te verleiden op een uitspraak dat hij God is. Dan hebben ze tenminste reden om hem te arresteren.

Jezus ontwijkt de vraag, omdat hij weet wat er zou gebeuren als hij eerlijk zou antwoorden. Hij stelt ze een wedervraag. Als ze die vraag beantwoorden, dan zal Jezus ook zeggen namens wie hij zijn tekenen doet. “In wiens opdracht doopte Johannes (de doper)?” Het blijft even stil onder de oudsten. Dan beginnen ze driftig te overleggen. Een paar mensen lopen rood aan. “Als we zeggen: van de hemel, dan zal hij tegen ons zeggen ‘waarom hebben jullie hem niet geloofd’? Maar als we zeggen: van de mensen, dan krijgen we het volk over ons heen, want iedereen gelooft dat Johannes een profeet was.’” Mooie patstelling. Jezus heeft ze klem, met één vraag.

Hoe kan dat? De oudsten beseffen heel goed wat er aan de hand is. Ze vonden dat Johannes de Doper niet goed wijs was. Zijn boodschap viel niet goed, want het ondermijnde hun gezag. Dat hadden ze namelijk wel goed geregeld, hun gezag en positie. En die wilden ze koste wat kost ook bewaren. Dat lijkt het grondmotief voor hun overleg te zijn. Als ze toegeven dat Johannes de Doper namens God sprak, dan begingen ze overduidelijk een zonde (en dat kunnen ze niet maken). Maar als ze hem als mens beschouwden zonder enige bevoegdheid, dan zou het volk in opstand komen (en dat kunnen ze ook niet gebruiken). Het volk zag namelijk wel wat in Johannes, en was onder de indruk van zijn optreden.

Het gaat hier helemaal niet om een godsdienstig antwoord, maar om een politieke kwestie. En dat lijkt ook het motief te zijn van de vraag die ze aan Jezus stelden. Aardse politiek, wel te verstaan. Bedoeld om hun eigen positie hoog te houden. En daar doet Jezus niet aan mee. Het zou zijn opdracht in gevaar kunnen brengen. Jezus kan het zich niet permitteren om toe te geven, want dan zou hij opgepakt worden. Door gebruik te maken van een wedervraag ontwijkt hij zijn plicht tot antwoorden. De oudsten zijn niet in staat (ze hebben wel een antwoord, maar kunnen dat niet geven) om te antwoorden: “Wij weten het niet”. Het antwoord van Jezus is helder. “Dan zeg ik u ook niet op grond van welke bevoegdheid ik die dingen doe.”

Als we dit verhaal vandaag lezen, dan kunnen we zeggen: Jezus deed het uit naam van God. Maar de les eruit lijkt: soms is het beter om niet te vertellen uit wiens naam je iets doet. Om niet te happig te zijn op elke kans om Jezus’ naam te verkondigen. Geen woorden, maar daden.

Geen opmerkingen: