dinsdag 22 april 2008

Zondag

De zon had weer zin in een nieuwe dag. Elke dag opnieuw, 7 dagen in de week, sleepte hij zich voort over de hemel. Van het oosten tot het westen, waar hij voldaan in de zee zakte. Elke dag opnieuw hetzelfde liedje, dat werd wel een beetje saai. Gelukkig voor hem was er de zondag. Die was niet voor niets zo genoemd. Nee, op zondag werd hij nog eens extra in het zonnetje gezet. Dan was er extra aandacht voor hem, de zon. Hij was er trots op. Ondanks dat hij elke dag aan de mensen verscheen, hadden ze hem toch een eigen dag gegeven.

Elke morgen, vlak voor hij opkomt, spreekt de zon nog even met de maan. Ze wisselen wat informatie uit over hoe die nacht was geweest en wat de mensen hadden gedaan. De maan had het allemaal goed kunnen zien en bereidde zo de zon voor op zijn nieuwe werkdag. En de zon deed aan het eind van de dag hetzelfde voor de maan. Gaandeweg de eeuwen waren ze goede vrienden geworden.

Zoals gezegd had de zon er vandaag zin in. Het gesprek dat hij had met de maan deed daar niets aan af. De maan vertelde dat het die nacht onrustig was geweest, dat er enkele mensen iets in hun schild voerden. Maar hij kon niet zo goed zien wat het was. De zon had er lak aan. Het was immers zijn dag vandaag; zondag.

Maar toen hij eenmaal aan het schijnen was, hoog boven de aarde, merkte hij dat de mensen iets aan het doen waren. Grote groepen mensen liepen door kleine smalle straten heen. Op weg naar een plaats waar nog veel meer mensen waren. Er fonkelde bij elk hoofd een klein diamantje, althans daar leek het op. Maar daar, op die ene plek waar alle mensen bij elkaar kwamen, werden de kleine diamanten een grote spiegel. De zon kreeg er hoofdpijn van. Hij snapte er niets van. Hij begon zachtjes te tranen van de felheid, waardoor er kleine wolken ontstonden. Gefrustreerd maakte hij de rest van zijn rondje af. Verdrietig om wat de mensen gedaan hadden. Boos omdat hij het niet snapte. Waarom zouden ze dat doen?

Hij vertelde die avond alles aan de maan. Het werd immers maandag, zijn speciale dag. De maan zou eens rondkijken, had hij gezegd. En dat had hij gedaan! ’s Morgens bracht hij verslag uit aan de zon. Bij het horen van wat hij zei, besloot de zon die dag maar niet te schijnen. En die dag erna ook niet. En de zondag die zou volgen, nou misschien dan weer wel.

“De mensen zijn boos op je. Je doet het eigenlijk nooit goed. Want als je veel schijnt, dan hebben ze het warm. Heb je ze nooit gezien, die gekke paraplu’s die ze opdoen als je heel hard je best doet? En hoe de mensen op het midden van de dag naar binnen vluchten omdat het te warm is buiten? Ze geven jou de schuld daarvan. En als je heel weinig schijnt, of verstopt bent achter je tranende wolken, dan zijn ze ook niet tevreden en schelden ze op je. Omdat je er nooit bent en zij je wel willen zien. En als je er dan bent, dan is het na twee dagen weer te warm. Ze hebben die spiegels neergezet zodat jij jezelf zou zien schijnen, beseffen hoe fel en warm het is.”

De zon werd verdrietig. Hoe konden de mensen dat nou doen? Ze hadden hem nodig, zagen ze dat dan niet? Maar als hij er was, dan was het nooit goed. Er was geen mogelijkheid om het goed te doen bij de mensen. Eigenwijs als ze waren. Als ze maar eens inzagen dat ze soms het warm moeten hebben, zodat hun eten kan groeien. En dat het soms koud en regenachtig is, zodat de bergen sneeuw hebben, en de rivieren water. Zodat zij, de mensen, weer kunnen leven. Ze waren niets zonder hem, maar hij kon het ze niet zeggen.

De zondag erop voelde de zon zich niet zo prettig. Hij moest wel schijnen, aan de mensen zijn licht laten zien. Maar diep van binnen voelde hij de pijn, dat de mensen hem niet begrepen. Kon hij het maar duidelijk maken, spreken, of iets laten zien. Maar niets van dit al. De zon was overgeleverd aan de gunst van de mensen.

Geen opmerkingen: