woensdag 6 februari 2008

Een vrij-dogmatisch christendom

De titel van deze gedachtenreeks had ook andersom kunnen zijn: een dogma(tisch)-vrij christendom. De betekenis is (qua associatie) dan gelijk heel anders geworden. Terwijl ik er toch hetzelfde mee bedoel. De termen ‘vrij’ en ‘dogmatisch’ hebben voor mij in dit geval te maken met een stijl van christendom. Je kunt het christendom op twee manieren invullen. Als een organisatie, of als een organisme.

Als ik denk aan een vrij-dogmatisch christendom, dan zou dat een ideaalplaatje betekenen. Want volgens mij kan het een niet zonder het ander. Ik meen dat ook terug te zien in de geschiedenis van de kerk. Sommige stromingen waren heel vrij, maar daar werd losbandigheid troef, of de inhoud vervaagde. Andere stromingen waren zo sterk georganiseerd dat er in de praktijk niets aan te beleven viel.

Vrij-dogmatisch betekent dan niet dat er héél véél dogma’s, leerstellingen, zijn. Ik geloof dat die wel nodig zijn, om structuur aan te brengen in dat wát je gelooft. En dat het je ook vooral helpt om uit te leggen naar andere mensen wat en waarom je gelooft. Het biedt je houvast. Het strijdt tegen een te sterk op beleving gerichte cultuur, waarin je eigen gevoel maatstaf is. Als je het even niet weet, blijft er altijd iets over om op terug te vallen. Een teveel ervan zorgt volgens mij voor verstarring. Een krampachtige houding in het leven. Precies bepalen wat je nu wel en niet, daar wordt niemand echt gelukkig van. Om dit aan te tonen zou ik kunnen zeggen dat iedereen een bepaalde mate van vrijheid nodig heeft. Omdat iedereen verschillend is. Iedereen beleeft dus ook op een andere manier. Waar je die grens trekt, dat is lastig te bepalen. In elk geval moet je niet doorschieten.

Een dogma-vrij christendom zou het gevolg daarvan zijn. Omdat iedereen verschillend is, beleef je dingen anders. Dus mag je dingen ook anders zien. Je mag de bijbel anders interpreteren. Op basis van wetenschappelijk onderzoek valt er heel wat af te dingen op de inhoud. Bijvoorbeeld. Je zou het dan zelfs niet zo letterlijk hoeven nemen, want het gaat vooral om de gedachte. Niemand die je tegenhoudt. Passie voor andere mensen zou je hoogste goed kunnen zijn. Bijdragen aan een betere wereld, met als voorbeeld Jezus. Gekomen om de mensheid de weg te wijzen in omgang met andere mensen.

In beide stromingen zit een kern van waarheid. Beide stromingen komen ook voor in de praktijk. Ik heb er alleen één probleem mee. Ze kunnen in mijn optiek niet zonder elkaar. Want allebei is waar. Je hebt aan de ene kant die vrijheid nodig om de dingen op je eigen manier te doen, maar je hebt ook een basis nodig om vanuit te werken. Een kant die de nadruk legt op het doen en een kant die de nadruk legt op waarom je het doet. Die zouden elkaar ook in evenwicht moeten houden.

In de praktijk is een combinatie van deze stromingen vrijwel onmogelijk. Mensen zitten verschillend in elkaar. Dat zorgt ervoor dat ze óf meer naar organisatie neigen óf meer naar organisme. En daar kun je weinig aan doen. Ze vinden dan in de kerk niet de dingen die zij belangrijk vinden. Als je vooral bent van het doen in de praktijk, dan is een kerk met veel theoretische mensen niets voor je. ‘Organismemensen’ worden ongelukkig in een organisatiekerk. En andersom.

Ik word in beide ongelukkig.

Geen opmerkingen: